Verschillende Masterstudenten van de Vrije Universiteit Amsterdam hebben hun scripties geschreven met behulp van de LASA data. Er kwamen verschillende onderwerpen aan bod, waaronder voeding, werk, gezondheidsvaardigheden en de invloeden van deze factoren op het verouderingsproces. Hierbij een korte samenvatting van de verschillende bevindingen die in deze verschillende scripties zijn besproken.
Voeding
Master student Emma Huijgen heeft onderzocht of ouderen die relatief meer plantaardige eiwitten eten, in de loop der jaren vaker een lagere loopsnelheid ontwikkelen vergeleken met ouderen die relatief meer dierlijke eiwitten eten. Loopsnelheid is immers een belangrijke maat voor het lichamelijk functioneren van ouderen. Bij ouderen met een goede loopsnelheid aan het begin van het onderzoek werd onderzocht wie er over een periode van bijna 10 jaar een lage loopsnelheid ontwikkelde. Emma vond dat het soort eiwit niet uitmaakt voor het ontwikkelen van een lage loopsnelheid, ook niet wanneer rekening wordt gehouden met de totale hoeveelheid eiwit die iemand eet of hoe gezond de voeding is. Het onderzoek suggereert dus dat een meer plantaardige voeding ook voor het lichamelijk functioneren van ouderen prima is. Of dat ook geldt voor ouderen die al een lagere loopsnelheid hebben, is nog niet duidelijk.
Daarnaast onderzochten andere studenten of voeding samenhangt met gezond ouder worden met een focus op consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen, de EAT-Lancet dieetindex (een maat voor gezond en duurzaam eten) en koffie & thee. Gezond ouder worden is hierbij bekeken aan de hand van cognitieve functies (plannen en organiseren, geheugen, denkvermogen en verwerkingssnelheid), kwetsbaarheid, en sterfte. Uit deze onderzoeken bleek dat ultra-bewerkte voeding niet samen bleek te hangen met kwetsbaarheid of sterfte en dat een hogere score op de EAT-Lancet dieetindex niet samen hing met kwetsbaarheid. Daarnaast werd er geen duidelijke samenhang gevonden tussen koffieconsumptie en cognitieve functies (zowel veel als weinig consumptie zorgden voor verbetering in bepaalde cognitieve deelgebieden). Ook werd geen duidelijk verband gevonden tussen koffie- en theeconsumptie en risico op sterfte.
Werk
Een Masterstudent onderzocht hoe werk- en gezondheidsfactoren samenhangen met het blijven werken en veranderingen in het aantal gewerkte uren van oudere werknemers tijdens de COVID-19-pandemie. Hiervoor is gebruikgemaakt van LASA data. De resultaten laten zien dat een slechte zelf-gerapporteerde gezondheid de kans op uitstroom uit het arbeidsproces vergrootte. Daarnaast bleken fysieke en psychosociale werkbelasting, leeftijd en het aantal gewerkte uren vóór de pandemie belangrijke voorspellers voor het aantal gewerkte uren na de pandemie. Werknemers met zwaardere fysieke taken werkten gemiddeld meer uren, terwijl hogere psychosociale werkdruk juist leidde tot minder gewerkte uren. Ook nam het aantal gewerkte uren af naarmate de leeftijd steeg. De bevindingen onderstrepen het belang van zowel gezondheid als werkomstandigheden voor duurzame inzetbaarheid van oudere werknemers, zeker in tijden van crisis zoals de pandemie.
Health literacy (gezondheidsvaardigheden)
In een andere scriptie is gekeken naar de samenhang tussen gezondheidsvaardigheden en verschillende sociaal-demografische factoren. Uit verschillende analyses bleek er een verband te zijn met leeftijd, educatie, hoger inkomen en zelfeffectiviteit. Daarnaast liet 71% van de studie populatie een goed niveau van gezondheidsvaardigheden te hebben. Uit dit onderzoek blijkt dat gezondheidsvaardigheden voornamelijk gerelateerd zijn aan sociaal-economische factoren en niet zozeer aan sociale context. Om het verouderingsproces te verbeteren, moet er bij de verbetering van gezondheidsvaardigheden voornamelijk gelet worden op gezondheidsverschillen.
Foto: Freepik