Beleidsrapporten VWS

Beleidsrapporten voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

In opdracht van het Ministerie van VWS doen de onderzoekers van LASA jaarlijks speciale analyses van de LASA-data. Hierdoor worden antwoorden op actuele beleidsvragen onderbouwd met wetenschappelijke kennis. De rapporten zetten wij, met toestemming van het Ministerie, vrij toegankelijk op de website, omdat deze rapporten voor meerdere doelgroepen relevant zijn.

De titel van elk rapport staat met een link naar de inhoud van het betreffende rapport hieronder weergegeven; daaronder wordt kort ingegaan op de achtergrond van de onderzoeksvragen van de genoemde rapporten.

Tot op heden verschenen rapporten

  1. Bekendheid met en deelname aan georganiseerde activiteiten tegen eenzaamheid bij ouderen van 75-96 jaar (2021)
  2. Verandering in prevalentie van eenzaamheid onder ouderen in de periode 1992 – najaar 2020 (2021)
  3. Verandering in prevalentie van eenzaamheid onder ouderen in de periode eind 2011 tot begin 2019 (2019)
  4. Reisduur van netwerkleden van kwetsbare ouderen: Implicaties voor professionele zorg, eenzaamheid en depressie (2018)
  5. Gebruik van ICT door ouderen met en zonder beperkingen (2017)
  6. Trends in sociale, emotionele- en gezondheidsproblematiek van Nederlandse 85- tot 94-jarigen tussen 2001/02 en 2011/12 (2017)
  7. Zorgnetwerk, kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven (2017)
  8. Trends in sociale, emotionele en gezondheidsproblematiek van Nederlandse ouderen tussen 1992 en 2012 (2016)
  9. Zorgtransities en verschillen in kwaliteit van leven bij ouderen (2015)
  10. Gezond, sociaal actief en zelfstandig ouder worden (2015)
  11. Sedentair gedrag van ouderen (2014)
  12. Zijn ouderen nu meer of minder sociaal actief dan voorheen? (2014)
  13. Sociale en emotionele factoren bij verhuizingen van ouderen naar een zorginstelling of een aangepaste woonvorm (2013)
  14. Ervaren regie bij Nederlandse ouderen en de samenhang ervan met zorggebruik, demografische factoren en persoonlijkheid (2013)
  15. De laatste levensmaanden van ouderen in Nederland (2012)
  16. Somatische en psychische problematiek bij ouderen; samenhang en zorggebruik (2012)
  17. Sport en eenzaamheid bij ouderen (2012)
  18. Kwetsbare ouderen: Zorg of geen zorg? (2011)
  19. Naar verklaringen voor het eetgedrag van ouderen (2011)
  20. Eetgedrag bij ouderen (2010)
  21. Rookgedrag onder ouderen (2010)
  22. Mogelijkheden voor preventie van AWBZ-gebruik. Netwerken van zelfstandig wonende ouderen (2010)
  23. Extramurale zorgpakketten (2010)
  24. Alcoholgebruik onder ouderen (2009)
  25. Gevoelens van sociale onveiligheid onder ouderen (2009)
  26. Empowerment (2009)
  27. Validering van screeningsinstrumenten voor de identificatie van vallers (2008)
  28. Ondervoeding bij ouderen (2008)
  29. Gebruik van thuiszorg en welzijnsvoorzieningen door 55-plussers tussen 1992-2006 (2007)
  30. Vroege predictoren van dementie (2006)

Achtergrond van de onderzoeksvragen per rapport

2021

Bekendheid met en deelname aan georganiseerde activiteiten tegen eenzaamheid bij ouderen van 75-96 jaar

Samenvatting.
In een deelstudie van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) zijn aan 429 zelfstandig wonende ouderen in de leeftijd van 75 jaar tot 96 jaar vijf vragen voorgelegd over activiteiten die organisaties doen tegen eenzaamheid. 32% was bekend met spots uitgezonden in reclameblokken op de TV, met als motto “Iedereen kan iets doen tegen eenzaamheid”. 23% is bekend met de Luisterlijn. 17% heeft de afgelopen twee jaar gemerkt dat er meer gezamenlijke activiteiten in de wijk zijn dan daarvoor. 16% heeft het afgelopen jaar wel eens ongevraagd bezoek aan huis ontvangen van iemand van een vrijwilligers- of welzijnsorganisatie of de gemeente. 4% is opgenomen in een telefoonkring. We vonden samenhangen met eenzaamheid en achtergrondkenmerken van ondervraagden, maar konden niet een patroon vaststellen.

Verandering in prevalentie van eenzaamheid onder ouderen in de periode 1992 – najaar 2020

Samenvatting.
In deze rapportage is de trend in prevalentie van eenzaamheid onder ouderen in de periode 1992 – najaar 2020 zichtbaar gemaakt. De twaalf perioden tussen 1992 en 2020 waarvoor we de prevalentie van matige of sterke eenzaamheid berekenden, kunnen we samenvatten als drie perioden. De trend in 1992-2006 is dat de prevalentie van eenzaamheid gelijk blijft; zo rond de 27% is matig tot sterk eenzaam. De prevalentie daalt daarna met vijf procentpunten, en is weer ongeveer gelijk in de jaren 2008-2019. Tijdens de COVID-19 pandemie is de prevalentie weer veel hoger en met 28% matig tot sterk eenzaam rond juni 2020 en 27% in het najaar 2020 terug op het niveau van de jaren 1992-2006. De resultaten voor sterke eenzaamheid (versus niet of matig eenzaam) wijken hier van af. De prevalentie is in de jaren 1992 – 1996 ongeveer 14%. Vanaf 1999 daalt de prevalentie van sterke eenzaamheid tot 6% in 2018. Tijdens de pandemie is de prevalentie weer iets hoger, namelijk 7% in juni 2020 en 7% in het najaar 2020. Dit is een stijging tot het niveau van 2009, veel lager dan in de jaren 1990. Het onderzoek is uitgevoerd op data van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA). Gegevens zijn geanalyseerd van 3.365 zelfstandig wonende ondervraagden in de leeftijd van 75 jaar of ouder. Bij deze leeftijd zijn zij gemiddeld vier keer ondervraagd. Eenzaamheid is gemeten met de schaal van De Jong Gierveld (zes of elf items) en met drie of minder directe vragen naar eenzaamheid.

2019

Verandering in prevalentie van eenzaamheid onder ouderen in de periode eind 2011 tot begin 2019

Samenvatting.
In deze rapportage is de trend in prevalentie van eenzaamheid onder ouderen in de periode eind 2011 – begin 2019 zichtbaar gemaakt. De resultaten tonen aan dat de oudere die in 2018/2019 ondervraagd is gemiddeld in dezelfde mate eenzaam is als een andere oudere met dezelfde leeftijd die negen maanden tot zeven jaar eerder ondervraagd is. Er is dus geen verandering in de trend opgetreden. Een tweede analyse van het beloop van eenzaamheid bevestigt dit, en laat ook zien dat gemiddeld eenzaamheid toeneemt met ouder worden.
Auteur: Theo van Tilburg

2018

Reisduur van netwerkleden van kwetsbare ouderen: Implicaties voor professionele zorg, eenzaamheid en depressie

Inleiding.
Veel mensen die informele hulp geven, reizen daarvoor. Verondersteld wordt dat ouderen minder informele zorg ontvangen als netwerkleden langer moeten reizen. Met gegevens van de Longitudinal Aging Study Amsterdam is nagegaan of een langere reisduur van netwerkleden samenhangt met het vaker ontvangen van professionele zorg, eenzaamheid en depressieve symptomen. In dit rapport worden de uitkomsten van dit onderzoek besproken en bediscussieerd.
Auteurs: Theo van Tilburg en Bianca Suanet

2017

Gebruik van ICT door ouderen met en zonder beperkingen

Inleiding.
De vraag die in dit rapport gesteld wordt is in hoeverre bij ouderen het ICT-gebruik verandert als zij beperkingen krijgen en wat de gevolgen zijn voor de eigen regie. Voor beleid is van belang te weten in hoeverre er een digitale achterstand ontstaat bij ouderen die beperkt zelfredzaam zijn en welke aanknopingspunten er zijn om die te voorkomen of verminderen. De resultaten bieden handvatten om risico’s en risicogroepen te identificeren voor ondergebruik van ICT bij ouderen met beperkte of mogelijk beperkte zelfredzaamheid.
Auteurs: Hannie Comijs en Fleur Thomese

Trends in sociale, emotionele- en gezondheidsproblematiek van Nederlandse 85- tot 94-jarigen tussen 2001/02 en 2011/12

Inleiding.
In dit rapport wordt onderzocht welke trends er zijn te zien in het functioneren van Nederlandse 85- tot 94-jarigen in de periode tussen 2001/02 en 2011/12?. Voor de gegevens van deze ouderen zijn vier meetmomenten (2001/02, 2005/06, 2008/09 en 2011/12) van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) gebruikt. Daarbij zijn problemen op acht aspecten van functioneren bepaald: multimorbiditeit (twee of meer chronische ziekten), ernstige functionele beperkingen (zoals niet zelf kunnen aan- of uitkleden), depressie, angst, cognitieve beperking, niet voldoen aan de beweegnorm, eenzaamheid en sociale isolatie. Daarnaast is gekeken hoeveel ouderen last hadden van vijf of meer van deze problemen: ‘multiproblematiek’. Het LASA-rapport uit 2016 over trends in sociale-, emotionele- en gezondheidsproblematiek van Nederlandse 64- tot 84-jarigen toont voornamelijk gunstige ontwikkelingen (o.a. afname van ernstige functionele beperkingen) aan. Dat riep de vraag op of een belangrijk deel van de problematiek van ouderen zou zijn ‘verplaatst’ naar oudere leeftijden. Dit rapport probeert antwoord op deze vraag te geven.
Auteurs: Erik Timmermans, Dorly Deeg en Martijn Huisman

Zorgnetwerk, kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven

Inleiding.
Nu het overheidsbeleid meer inzet op een versterking van de eigen regie in de zorg en een grotere inzet van mantelzorg, is het de vraag in hoeverre deze beide aspecten bijdragen aan de ervaren kwaliteit van zorg en de ervaren kwaliteit van leven. Daar is nog weinig onderzoek naar gedaan. In dit rapport wordt nader ingegaan op twee vragen:
1) In hoeverre bestaat er een samenhang tussen structurele en functionele kenmerken van het zorgnetwerk en de ervaren kwaliteit van zorg?
2) Wat is het effect van objectieve kenmerken en de evaluatie van zorg op de mate van depressieve stemming en eenzaamheid, als ook rekening wordt gehouden met persoonskenmerken, opvattingen over zorg, en ernst en aard van gezondheidsproblemen? Auteurs: Marjolein Groene van Broesou en Femmy Bijnsdorp

2016

Trends in sociale, emotionele en gezondheidsproblematiek van Nederlandse ouderen tussen 1992 en 2012

Inleiding.
Dit rapport beschrijft trends in sociale, emotionele en gezondheidsproblematiek bij Nederlandse ouderen in de periode van 1992 en 2012. Het doel van dit rapport is een beeld te schetsen van het vóórkomen van problemen met het functioneren van Nederlandse ouderen gedurende die periode en van de ontwikkelingen daarin. Op welke aspecten gaat het beter met de Nederlandse ouderen? Op welke aspecten gaat het juist slechter? Dat zijn vragen die in dit rapport worden beantwoord.
Auteurs: Emiel Hoogendijk, Dorly Deeg en Martijn Huisman

2015

Zorgtransities en verschillen in kwaliteit van leven bij ouderen

De onderzoeksvraag waar in dit rapport antwoord op gegeven wordt is of de kwaliteit van leven van ouderen gerelateerd is aan het ontvangen van formele zorg thuis of in een instelling (onafhankelijk van het niveau van functioneren dat zij vertonen).
Auteurs: Fleur Thomese, Jarno Sluik en Martijn Huisman

Gezond, sociaal actief en zelfstandig ouder worden

Zijn ouderen te groeperen naar leefstijl, streven naar autonomie, en sociale participatie? En verschillen deze groepen dan naar ontwikkelingen in functionele beperkingen en zorggebruik?
Auteurs: Marjolein Broese van Groenou en Dorly Deeg

2014

Sedentair gedrag van ouderen

Er is nog weinig bekend over de determinanten van sedentair gedrag bij ouderen en de gevolgen van sedentair gedrag bij ouderen. In dit onderzoek komen deze onderwerpen aan bod.
Auteur: Marjolein Visser

Zijn ouderen nu meer of minder sociaal actief dan voorheen?

Trends in vrijwilligerswerk, mantelzorg en het geven van steun door 64-75-jarigen in 2005, 2008 en 2012.
Auteurs: Marjolein Broese van Groenou en N. Tolkacheva

2013

Sociale en emotionele factoren bij verhuizingen van ouderen naar een zorginstelling of een aangepaste woonvorm

Inleiding.
Met de trend om ouderen steeds langer zelfstandig thuis te laten wonen, dringt de vraag zich op welke sociale en emotionele factoren in het spel zijn wanneer deze ouderen vroeg of laat moeten verhuizen naar een tehuis of een tussenvorm zoals een aangepaste woning. Ook wordt nader ingegaan op de samenhang tussen deze factoren, de trends in de tijd en sexe-verschillen.
Auteurs: N. Tolkacheva en Fleur Thomese

Ervaren regie bij Nederlandse ouderen en de samenhang ervan met zorggebruik, demografische factoren en persoonlijkheid

Inleiding.
Regie is een complex begrip. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in algemene en zorgregie. In dit rapport wordt ingegaan op de vraag uit welke elementen de zorgregie bij Nederlandse ouderen bestaat, hoe algemene en zorgregie samenhangen met demografische factoren en hoe verschillende maten van regie samenhangen met verschillende vormen van gegeven zorg en de ervaren kwaliteit van die zorg.
Auteurs: Martijn Huisman. Dorly Deeg en C. Claassens

2012

De laatste levensmaanden van ouderen in Nederland

Inleiding.
In dit rapport wordt aan de hand van bestaande LASA-data een aantal vragen beantwoord rond de palliatieve zorg in de laatste levensfase van ouderen. Inzicht wordt gegeven in de plaats van zorgverlening, de verschillende vormen van zorg, mogelijke verplaatsingen tussen zorgsectoren en oorzaken van overlijden.
Ook de ontwikkelingen/trends op dit gebied in de onderzoeksperiodes 19951999 en 20052009 komen aan de orde. Verder wordt gekeken welke
voorkeuren ouderen hebben als het gaat om behandelingen aan het levenseinde en of ze deze voorkeuren hebben vastgelegd en/of besproken met anderen, en de trends daarin in de loop van de tijd. Ten slotte wordt  onderzocht hoeveel ouderen een wens om te sterven hebben, hoe deze wens is ontstaan, hoe ouderen daarmee omgaan en welke verwachtingen ouderen met een wens om te sterven van de toekomst hebben.
Auteurs: H. R.W. Pasman, B.D. Onwuteaka‐Philipsen en D.J.H. Deeg

Somatische en psychische problematiek bij ouderen; samenhang en zorggebruik

Inleiding.
Psychische
problemen komen bij ouderen veel voor. Ongeveer 13 tot 20% van de ouderen heeft psychische problemen, zoals symptomen van depressie, angst of eenzaamheid. Een deel van deze mensen heeft zulke ernstige klachten, zoals ernstige depressie en angst, dat behandeling in een gespecialiseerde setting nodig is. Somatische aandoeningen komen bij ouderen eveneens veel voor. Veel ouderen hebben meer dan één chronische ziekte (multimorbiditeit). De relatie tussen somatische en psychische aandoeningen is complex. Beide type aandoeningen kunnen elkaar beinvloeden of het gevolg zijn van onderliggend lijden. Dit onderzoek richt zich op het beantwoorden van de volgende vragen:

1.
Hoe vaak komen klinisch relevante depressieve en angstsymptomen en gevoelens van eenzaamheid voor bij ouderen in de bevolking?
2.
Hoeveel chronische ziekten hebben mensen met deze psychische problemen?
3.
Hoe vaak komen klinisch relevante depressieve en angstsymptomen en gevoelens van eenzaamheid voor bij mensen met de meest voorkomende somatische aandoeningen?
4.
Is er een samenhang tussen de somatische aandoeningen en klinisch relevante depressieve en angstsymptomen en gevoelens van eenzaamheid bij ouderen?
5.
In hoeverre maken ouderen met psychische en/of somatische aandoeningen gebruik van zorgvoorzieningen, en van welk type zorgvoorzieningen maken ze gebruik?
Er is gebruik gemaakt van LASA-data uit 2008/2009. 

Auteur: H. Comijs

Sport en eenzaamheid bij ouderen

Inleiding.
Bewegen is goed voor de ouder wordende mens en heeft een positief efffect op zowel de fysieke als mentale gezondheid. Daarbij wordt vaak het uitoefenen van sporten gestimuleerd. De vraag die in dit onderzoek centraal staat is of
sporten ook leidt tot een afname van eenzaamheid. De specifieke relatie tussen sporten en
eenzaamheid is nog tamelijk weinig onderzocht. Met LASA-data kan de vraag naar de relatie tussen sporten en eenzaamheid worden beantwoord. Door daarbij onderscheid te maken tussen groepssporten (zoals voetbal en badminton) en individuele sporten (zoals joggen en zwemmen) krijgen we meer zicht op het eventuele verklaringsmechanisme. Door het longitudinale karakter van LASA is het ook mogelijk de effecten van sporten op eenzaamheid over langere termijn te onderzoeken. Gekozen is voor een termijn van 3 jaar. De volgende onderzoeksvragen worden behandeld:
1.
Wat is de relatie tussen groepssport en individuele sport en eenzaamheid?
2.
Wat is het effect van groepssporten en individuele sporten op eenzaamheid drie jaar later?
3. Omdat ouderen vaak te weinig bewegen is nog aanvullend onderzocht: welke factoren bevorderen de kans dat ouderen een individuele of groepssport beoefenen?

Voor deze studie zijn LASA- data gebruikt van respondenten die in 20052006 en
20082009 zijn ondervraagd.

Auteurs: F.Wirtz, M. Aartsen, M. Visser en D.J.H. Deeg

2011

Kwetsbare ouderen: Zorg of geen zorg?

Inleiding.
Het
recente overheidsbeleid doet een sterk appèl op de eigen verantwoordelijkheid en daadkracht van de burger om zorg te organiseren op momenten dat dit nodig is. Het uitgangspunt is: ‘Mensen kunnen meestal uitstekend zelf beslissen welke ondersteuning en zorg ze nodig hebben en waar ze die krijgen’. Echter, er moet wel worden rekening gehouden met het feit dat het niet iedereen dit zal lukken en dat er mensen zijn die ‘moeilijk keuzes kunnen maken’. Ter ondersteuning van deze uitgangspunten van beleid, wordt in dit onderzoek in kaart gebracht hoeveel kwetsbare ouderen zorg ontvangen en in hoeverre deze zorg gegeven wordt door professionele (AWBZ geindiceerde hulp en Wmo betaalde hulp), particulier betaalde dan wel informele helpers. Ook wordt inzicht gegeven in het nietgebruik van zorg gerelateerd aan het a) niet aanvragen van AWBZ/Wmo zorg en aan b) het niet gebruiken van een verkregen AWBZ/Wmo indicatie voor zorg. Dit geeft inzicht in het aantal kwetsbare ouderen dat hun zorgbehoefte oplost met nietprofessionele hulp, en in het aantal kwetsbare ouderen dat geen gebruik maakt van hun indicatie voor zorg.
Kwetsbaarheid is een gezondheidssituatie die de kans op gezondheidsproblemen (en daarmee samenhangende zorgvragen) vergroot, maar kwetsbare ouderen hoeven nog niet daadwerkelijk ‘gekwetst’ te zijn en ook zorg te gebruiken. Derhalve wordt als tweede indicatie voor de gezondheidssituatie de mate van functionele beperkingen gebruikt. Kwetsbaarheid en functionele beperkingen worden in combinatie met elkaar gebruikt om te bepalen of zorggebruik vooral aan kwetsbaarheid dan wel aan functionele beperkingen gerelateerd is.
Met behulp van de LASAgegevens verzameld in 2008/09 worden op de bij voornoemde gebieden concrete vragen geformuleerd en beantwoord.
Auteurs: I. Plaisier, M.I. Broese van Groenou en D.J.H. Deeg

Naar verklaringen voor het eetgedrag van ouderen

Inleiding.
Deze rapportage is een vervolg op de
LASA rapportage over eetgedrag van ouderen uit 2010 (Visser 2010). In samenspraak met het ministerie van VWS zijn onderzoeksvragen geformuleerd voor de LASA rapportage 2011.
Het eerste deel van het onderzoek geeft een beschrijving in hoeverre ouderen belang hechten aan gezonde voeding in het algemeen, waar ouderen de informatie over gezonde voeding verkrijgen en mogelijke belemmeringen die ouderen ervaren om gezond te eten. Tevens worden eventuele verschillen hierin tussen geslacht, opleidingsniveau, inkomen en leeftijd beschreven.
Het tweede deel van het onderzoek richt zich specifiek op de vraag of het wel of niet voldoen aan de voedingsrichtlijnen wat betreft groente, fruit en vis (zie resultaten rapport 2010) verklaard kan worden door de informatiebronnen over gezonde voeding, de aandacht die ouderen schenken aan een gezonde voeding, de attitude, sociale steun en de mogelijke specifieke belemmeringen om gezond te eten. De onderzoeksvragen worden voor elk van de drie richtlijnen apart worden beantwoord.
Voor dit onderzoek werden gegevens gebruikt van de LASA deelstudie over leefstijl uitgevoerd in 2007.
Auteurs: M. Visser en C. Dijkstra

2010

Eetgedrag bij ouderen

Inleiding.
Door het ministerie van Vo
lksgezondheid, Welzijn en Sport zijn er in 2010 twee
onderzoeksvragen geformuleerd die betrekking hebben op de voeding van ouderen.
De eerste onderzoeksvraag “Zijn er verschillen in eetgedrag tussen ouderen?” werd
opgesplitst in de volgende deelvragen die in hoofdstuk twee van dit rapport met
behulp van de gegevens van de LASA Leefstijl Studie uit 2007 worden beantwoord:
1. Wat is het percentage ouderen dat voldoet aan de voedingsrichtlijnen voor fruit-,
groente- en visconsumptie?
2. Wat zijn de kenmerken van ouderen die voldoen aan deze richtlijnen?
3. Wat is het percentage ouderen dat zelf denkt te voldoen aan de voedingsrichtlijnen
voor fruit-, groente- en visconsumptie?
4. In hoeverre overschatten ouderen het voldoen aan de richtlijnen voor fruit-,
groente- en visconsumptie?
5. Wat zijn de kenmerken van ouderen die het voldoen aan deze richtlijnen
overschatten?
De tweede onderzoeksvraag “Wat is het gebruik van maaltijdgerelateerde
welzijnsvoorzieningen?” word in hoofstuk drie van dit rapport beantwoord met de
gegevens van de reguliere LASA meetronde uitgevoerd in 2008-09.
Auteurs: M. Visser en C. Dijkstra

Rookgedrag onder ouderen

Inleiding.
In
dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar het voorkomen van roken, de voorspellers van roken, en voorspellers van stoppen met roken bij ouderen. Achtereenvolgens komen de volgende onderzoeksvragen aan bod:
1) Wat is het rookgedrag van ouderen nu en in de tijd gezien?
2) Zijn er verschillen zichtbaar in het rookgedrag en waardoor kunnen deze verschillen worden veroorzaakt (bijvoorbeeld woonsituatie, partner status, geslacht)?
3) Wat zijn de voorspellers van stoppen met roken bij ouderen?
4) In welke mate denken ouderen na over stoppen met roken?
Naast de gegevens uit het LASA onderzoek zijn gegevens gebruikt uit het Continue Onderzoek Rookgewoonten (COR), dat in opdracht van STIVORO wordt uitgevoerd door
TNS‐NIPO.

Auteurs: M. Huisman en M. Visser

Mogelijkheden voor preventie van AWBZ-gebruik. Netwerken van zelfstandig wonende ouderen

Opzet van het rapport.
In hoofdstuk 2 wordt een beeld gegeven van de algemene kenmerken van ouderen die gebruik maken van AWBZ zorg, Wmo voorzieningen, maar ook informele hulp. De kenmerken die worden beschreven zijn leeftijd, geslacht, opleidingniveau, buurtkenmerken en gezondheid, waarbij lichamelijke beperkingen, chronische aandoeningen, depressieve symptomen en cognitieve beperkingen worden onderscheiden. Het derde hoofdstuk gaat in op de netwerkkenmerken van ouderen en de rol daarvan op het hebben van AWBZ zorg. Hierbij zijn de aanwezigheid van een partner in het huishouden, dichtbij wonende kinderen, de grootte van het netwerk, sociale steun en het verkrijgen van Wmo voorzieningen en informele hulp nader bestudeerd. In het vierde hoofdstuk wordt de rol van (sociale en emotionele) eenzaamheid en de relatie met AWBZ zorg en formele hulp belicht. Hoofdstuk vijf is een beschrijving van de uitstroom van zelfstandig wonende ouderen naar intramurale zorg en de samenhang met het sociaal netwerk en eenzaamheid. In het laatste hoofdstuk zijn conclusies en aanbevelingen geformuleerd voor vermindering van AWBZ zorg door versterking van sociale netwerken en preventie van eenzaamheid bij zelfstandig wonende ouderen.
Auteurs: I. Plaisier, T.G. van Tilburg, D.J.H. Deeg

Extramurale zorgpakketten

Samenvatting.
Het ministerie van VWS heeft, in het kader van project Strategische Verkenningen, LASA gevraagd uit
te zoeken hoeveel welke zinvolle onderscheidende extramurale zorgpakketten er bestaan bij thuiswonende ouderen van 70 jaar en ouder. Tevens werd gevraagd aan te geven welke kenmerken de ouderen met de verschillende pakketten hebben, hoe stabiel de zorgpakketten zijn in de tijd en in hoeverre de zorgpakketten een tehuisopname voorspellen. Om deze vragen te beantwoorden zijn gegevens gebruikt van 890 respondenten van de 2005/2006 waarneming in LASA. In totaal zijn 17 zorgvormen gebruikt variërend van a) praktische voorzieningen (drie vormen), b) huishoudelijke hulp (vijf vormen), c) persoonlijke zorg (vier vormen) en d) eerste en tweede lijn (vijf vormen). Met behulp van een clusteranalyse zijn acht verschillende zorgpakketten vastgesteld, met een oplopende zwaarte in aantal en vormen van zorgvoorziening. De acht zorgpakketten zijn: 1) geen zorg, 2) woningaanpassing en huisarts, 3) 1e en 2e lijnszorg, 4)particuliere hulp, 5) informele hulp en ziekenhuisopname, 6) formele huishoudelijke hulp en ondersteunende diensten, 7) het gemengde zorgnetwerk, en 8) formele zorg en respijtzorg. De clusters bouwen op elkaar voort; elk cluster bevat een of meerdere zorgvormen van het voorgaande cluster. Cluster 8 vormt het zwaarste pakket, waarin meerdere vormen van professionele zorg ingezet worden voor zowel huishoudelijke, verzorgende en verplegende taken.De zorgpakketten onderscheiden zich naar achtergrondkenmerken, gezondheidsproblemenen sociale context van de ouderen. Bij de pakketten 1 tot en met 3 is sprake van lichte tot matige gezondheidsproblemen die geen informele of formele hulp aan huis vereisen. Bij pakketten 4, 5 en 6is er sprake van gezondheidsproblemen van dien aard dat of met particuliere hulp (pakket 4), informele hulp (pakket 5) of formele huishoudelijke hulp (pakket 6) kan worden volstaan. Bij pakketten 7 en 8 is sprake van complexe gezondheidsproblemen die langdurige zorg behoeven. Welk pakket nodig is, wordt mede ingegeven door de persoonlijke situatie wat betreft sekse, leeftijd en opleidingsniveau en sociale context (partnerstatus, netwerk en kinderen in de buurt). De pakketten 6, 7 en 8 worden vooral gebruikt door vrouwen op hoge leeftijd met een laag opleidingsniveau. Bij pakketten 5 en 7 is er sprake van beschikbare informele hulp, waardoor er minder professionele hulp nodig is. Bij pakketten 6 en 8 is dat niet het geval en is de afhankelijkheid van professionele hulp groot. Er is sprake van geringe stabiliteit in de zorgpakketten, met uitzondering van de lichtste pakketten (1-3) en het zwaarste zorgpakket (8). In een periode van drie jaar tijd maakt ongeveer twee-derde de overgang naar een ander zorgpakket. Opmerkelijk is dat dit zowel een lichter als een zwaarder zorgpakket kan zijn. Er lijkt geen duidelijke hiërarchie in de zorgpakketten. Van pakket 7 gaat, bijvoorbeeld, maar een klein deel van de ouderen naar pakket 8, sommigen gaan zelfs terug naar pakketten 1-3. Een toename in het aantal chronische ziekten, de verslechtering van fysieke beperkingen en het (blijvend) ontberen van een partner, zijn de belangrijkste voorspellers of de oudere een transitie naar een zwaarder zorgpakket doormaakt. Tenslotte is de kans op een tehuisopname vooral groot voor de ouderen met de pakketten 7 en 8; zij hebben (ten opzichte van ouderen met pakket 1) ongeveer 4 keer zoveel kans om binnen vier jaar tijd opgenomen te worden in een tehuis.
Auteurs: M.J.G. van Vliet, M.I. Broese van Groenou, D.J.H. Deeg

bijlage 1 (LASA-waarnemingen vorige waves)
bijlage 2 (verantwoording methodologie)

2009

Alcoholgebruik onder ouderen

Samenvatting.
Het vermoeden bestaat dat bij de oudere populatie het gebruik van alcohol vooral de laatste jaren sterk is toegenomen. Het weinige onderzoek op dit gebied laat een grote stijging zien in het drankgebruik vooral bij ouderen en het aantal ouderen dat in de verslavingszorg terecht komt is de laatste tijd sterk gestegen. Alcohol kan leiden tot risicovol gedrag, fysieke en psychische  gezondheidsproblemen en verslaving met alle gevolgen vandien.

Omdat er weinig harde gegevens zijn over het alcoholgebruik door ouderen heeft het ministerie van VWS aan LASA gevraagd onderzoek te doen naar de aard en omvang hiervan onder deze populatie.

Uit de LASA-data die over alcoholgebruik in elke meting worden verzameld blijkt dat het alcoholgebruik onder mensen van 55-65 jaar in 10 jaar tijd is toegenomen. Mensen drinken in het algemeen meer en frequenter. Daarmee is het percentage overmatige drinkers toegenomen van ongeveer 12 tot 20%. Deze toename is sterker bij vrouwen dan bij mannen. Het percentage explosieve drinkers is eveneens aanzienlijk toegenomen, van 8% in 1992/1993 tot 21% 10 jaar later, deze stijging is het sterkst onder mannen. Overmatig alcoholgebruik wordt veelal gevonden onder jongere vrouwen < 75 jaar), met een midden of hoog inkomen en zonder partner. Er wordt geen verband gevonden met eenzaamheid en psychische klachten. De strengere criteria voor alcoholgebruik bij vrouwen lijken vooral debet aan deze bevinding. De explosieve drinkers zijn veelal jongere gezonde mannen (<75 jaar), die een partner hebben en weinig gevoelens van eenzaamheid kennen. Dit suggereert dat het bij explosieve drinken met name om een vorm van ‘sociaal’ drinken gaat. Het profiel van de mensen die niet drinken ziet er heel anders uit. Het zijn juist de oudere ouderen, wederom vrouwen, met een laag inkomen en laag opleidingsniveau, met meer dan twee chronische ziekten, psychische klachten, gevoelens van eenzaamheid en cognitieve stoornissen. Alcoholgebruik blijkt niet direct samen te hangen met zorggebruik. De mensen die geen alcohol drinken, gebruiken de meeste zorg vanwege een slechtere gezondheid.

Geconcludeerd wordt dat LASA-data bevestigen dat het gebruik en excessief drinken van alcohol de laatste jaren onder ouderen is toegenomen.  Bij excessieve drinkers gaat het veelal om gezonde jonge ouderen waarbij alcohol sterk gekoppeld lijkt te zijn aan het sociale leven. Wellicht kan adequate publieke voorlichting zinvol zijn om mensen te wijzen op de gezondheidsrisico’s ten einde het alcoholgebruik terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau.
Auteur: H.C. Comijs

Gevoelens van sociale onveiligheid onder ouderen

Samenvatting.
Veiligheid staat sinds enkele jaren hoog op de agenda. Waar het in het midden van de vorige
eeuw nauwelijks een issue was, is het tegenwoordig van groot politiek belang. In dit onderzoek wordt nagegaan wat de prevalentie van subjectieve sociale onveiligheid is onder mensen van 55 jaar en ouder, en welke determinanten belangrijk zijn. Er is sprake van subjectieve sociale onveiligheid als iemand zich in zijn woon- en leefsituatie door misdrijven, overtredingen en ernstige overlast bedreigd voelt. Onveiligheid veroorzaakt door ongelukken (bijvoorbeeld angst voor vallen) wordt niet inbegrepen.

In dit paper worden de volgende vragen beantwoord:
1. Wat is de prevalentie van gevoelens van onveiligheid van ouderen in Nederland? Verandert deze sinds 1992?
2. Bij welke categorieën ouderen komen deze gevoelens relatief vaak voor? Hierbij zal onderscheid gemaakt worden naar demografische kenmerken (sekse, leeftijd, opleiding, partnerstatus), woonsituatie (soort huis, eigendom, woonduur), omgevingskenmerken (regio en urbanisatie, sociale status, aandeel autochtonen), gezondheid en fysieke en mentale kwetsbaarheid, mastery, en kenmerken van het sociale relatienetwerk.
In dit onderzoek beperken we ons tot zelfstandig wonenden. De gegevens komen uit het LASA-onderzoek tussen 1992 en 2009.
Enkele uitkomsten:
1. Veel ouderen in Nederland voelen zich veilig. Voor 2009 is de schatting dat negen op de tien ouderen in LASA zich veilig voelt en dat één op de tien zich onveilig voelt. Er zijn grote verschillen tussen mannen en vrouwen: veel oudere vrouwen voelen zich onveilig. Er zijn ook grote verschillen naar leeftijd: vooral onder oudste ouderen komt het vaak voor dat men zich onveilig voelt. Waar onveiligheidsgevoelens gemiddeld genomen voor ouderen niet vaak een problemen zijn, is dat dus anders voor vooral de oudste vrouwen. Dit is bovendien de groep waarvan uit ander onderzoek bekend is dat zich bij hen ook op grote schaal andere psycho-sociale problemen voordoen, zoals een lage mastery en een sterke eenzaamheid.
2. Het aantal ouderen dat zich onveilig voelt is in de loop der jaren afgenomen. In 1993, ten tijde van de eerste waarneming van LASA, voelt 80% zich veilig en dit neemt toe tot 92% in 2009. Deze daling doet zich voor onder ouderen van alle leeftijden in deze analyse en zowel onder mannen als onder vrouwen. Voor deze daling van onveiligheidsgevoelens zijn verschillende verklaringen denkbaar, zoals dat criminaliteit en overlast verminderd is, men gewend is geraakt aan een ‘hardere’ samenleving of dat men onveilige situaties vaker vermijdt. Deze verklaringen zijn echter niet onderzocht.
3. Zoals hierboven reeds genoemd voelen oudere vrouwen en de oudsten voelen zich vaker onveilig dan oudere mannen en jonge ouderen. Daarnaast komt onveiligheid vaker voor onder ouderen die in een buurt met veel immigranten wonen, een lage mastery en een lage objectieve fysieke performance hebben. In het onderzoek worden twee paradigma’s (het rationalistische paradigma en het symbolische paradigma) tegenover elkaar gezet en wordt besproken welk het beste aansluit op de bevindingen. Daarbij geniet het symbolische paradigma de voorkeur.
Auteur: T.G. van Tilburg

Empowerment

Aanleiding en vraagstellingen.
Met de term empowerment (letterlijk: ‘het in staat stellen’) wordt aangeduid dat een achtergestelde bevolkingsgroep de middelen krijgt om haar doelen te bereiken. Anders uitgedrukt: het begrip empowerment geeft aan dat een bevolkingsgroep of individu zijn eigen regie kan voeren. De laatste jaren is ‘empowerment’ of ‘regie’ van ouderen een steeds belangrijker thema geworden. Daarvoor is een aantal redenen. Ten eerste bevordert het kunnen voeren van de regie over het eigen leven de kwaliteit van leven. Ten tweede wordt verwacht dat de aankomende generatie ouderen assertiever is dan voorgaande generaties, vooral omdat het opleidingsniveau hoger is geworden. Ten derde zou de zorg effectiever (en wellicht efficiënter) kunnen zijn wanneer deze aansluit bij de wensen en behoeften van ouderen. Wanneer niet wordt uitgegaan van de behoefte van ouderen bij het toekennen van zorg/hulpverlening, is het immers mogelijk dat de oudere niet alle zorg nodig heeft, of deze niet optimaal gebruikt. Het is echter waarschijnlijk dat ouderen met weinig eigen regie niet goed in staat zijn hun zorgbehoefte bij de juiste mensen of instanties duidelijk te maken. Grotere ‘empowerment’ zou daarom kunnen leiden tot gerichter en beter gebruik van zorg. Hoewel de redenen voor aandacht voor ‘empowerment’ duidelijk lijken, is er nog geen onderzoek dat deze redenen met empirische gegevens ondersteunt. Wordt empirische ondersteuning gevonden, dan zou deze kunnen leiden tot wenselijkheid van het stimuleren van ‘empowerment’ of ‘regie’ bij ouderen. Zowel de kwaliteit van leven van ouderen als de kwaliteit van de aan hen verleende zorg zou hierdoor kunnen worden bevorderd. De vraagstellingen die hiertoe in dit rapport worden behandeld luiden:
Vraagstelling 1a. Hoe verandert de mate van regie over opeenvolgende generaties ouderen?
Vraagstelling 1b. Zijn er groepen in de oudere bevolking waarin de mate van regie sneller verandert dan in andere groepen?
Vraagstelling 2. Welke determinanten zijn er van de mate van regie?
Vraagstelling 3. In welke mate zijn transities in zorggebruik afhankelijk van de mate van regie?
Vraagstelling 4. Leidt het zorggebruik van ouderen met veel regie tot meer tevredenheid over de zorg dan bij ouderen met minder regie?
Voor de beantwoording van deze vragen is gebruik gemaakt van LASA-data verzameld in de jaren 1992 – 2006.

Auteur: D.J.H. Deeg

2008

Validering van screeningsinstrumenten voor de identificatie van vallers

Samenvatting.
In eerder onderzoek binnen LASA is een valbeslisboom ontwikkeld waarmee het risico op herhaald vallen voorspeld kan worden bij personen vanaf 65 jaar. Onder herhaald vallen wordt verstaan twee keer of vaker vallen in 6 maanden tijd. In dit rapport is deze valbeslisboom geëvalueerd in een nieuwe steekproef van ouderen die meededen aan het valpreventieonderzoek (VPO). Alle deelnemers aan dit onderzoek hadden zich recent na een val bij de huisarts of spoedeisende hulp gemeld. Uit de analyse bleek dat de valbeslisboom niet geschikt was om in deze groep te voorspellen wie herhaaldelijk zou gaan vallen. Sommige predictoren in de valbeslisboom bleken niet van toepassing (één keer of vaker gevallen in het afgelopen jaar) of weinig bij te dragen aan het voorspellen van het risico (het hebben van functionele beperkingen en duizeligheid). Vervolgens is in de VPO-steekproef een nieuwe valbeslisboom ontwikkeld. De predictoren valgeschiedenis, valangst en gebruik van een loophulpmiddel bleken belangrijk voor het voorspellen van de kans op herhaald vallen. Ten slotte werd geëvalueerd hoe goed deze nieuwe valbeslisboom onderscheid maakte tussen herhaald vallers en niet-herhaald vallers in een selecte groep LASA-deelnemers die ten minste één val meldden in het voorgaande jaar. De vooraf kans op herhaald vallen in recente vallers bedroeg 19% in VPO en 30% in LASA. Bij aanwezigheid van valgeschiedenis en valangst nam de kans op herhaald vallen toe tot 42 % in VPO en 59 % in LASA. Is een oudere zonder valangst minder dan 2 keer gevallen in het voorgaande jaar en gebruikt hij geen loophulpmiddel, dan neemt de kans af tot circa 10 %. De nieuwe valbeslisboom is een eenvoudig toepasbaar instrument om de kans op herhaald vallen te bespreken met ouderen in de huisartspraktijk.
G.M.E.E. Peeters, N.M. van Schoor, P. Lips en D.J.H. Deeg

Ondervoeding bij ouderen

Inleiding.
Voor ondervoeding bij zelfstandig wonende ouderen in Nederland is weinig aandacht. Prevalentiecijfers en informatie over trends in de tijd ontbreken. Echter, gezien het feit dat ouderen regelmatig al ondervoed zijn bij opname in zorginstellingen, geeft aan dat ook binnen deze groep ondervoeding een probleem is. Voor het ontwikkelen van preven
tieve maatregelen is het van belang om de determinanten van het optreden van ondervoeding te identificeren. Hierbij zijn verscheidene groepen determinanten interessant, waaronder onder andere demografische, lichamelijke en sociale variabelen. Met behulp van de resultaten kunnen potentiële groepen ouderen worden opgespoord die een verhoogd risico lopen om ondervoed te raken. Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek kan
worden nagegaan op welke manier preventieve maatregelen in de toekomst kunnen
worden ontwikkeld, binnen welke setting (thuiszorg, huisartspraktijk, ouderen zelf etc) en eventueel voor welke groep ouderen. Voor het in kaart brengen van voornoemde determinanten is gebruik gemaakt van LASA-data.
M. Visser

2007

Gebruik van thuiszorg en welzijnsvoorzieningen door 55-plussers tussen 1992-2006

Samenvatting.
Al sinds de jaren tachtig van de 20e eeuw is de overheid erop gericht om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Het leveren van professionele thuiszorg en welzijnsvoorzieningen zijn instrumenten om de dure intramurale zorg te kunnen uitstellen en wellicht zelfs te voorkomen. Veel minder aandacht is er echter voor het gebruik van welzijnsvoorzieningen door ouderen, waarvan gedacht wordt dat dit de zelfstandigheid van ouderen kan vergroten en het gebruik van professionele thuiszorg kan uitstellen of verminderen.
Bedacht moet worden dat in dit rapport verslag wordt gedaan van het gebruik van thuiszorg en welzijnsvoorzieningen in een periode dat huishoudelijke hulp nog tot de taken van de professionele thuiszorg en (dus) nog niet tot de welzijnsvoorzieningen werd gerekend (voor invoering van de WMO in 2007).
Uit het onderzoek dat met LASA-data werd uitgevoerd blijkt dat het gebruik van welzijnsvoorzieningen en professionele thuiszorg zich beperkt tot een relatief kleine groep van de 65-plussers: in 2001/02 gebruikte 21% van de ouderen (tussen de 65 en 95 jaar) een of meerdere welzijnsvoorzieningen. De gebruikers van welzijnsvoorzieningen én thuiszorg zijn m.n. 75-plussers met gezondheidsproblemen. Het gebruik van welzijnsvoorzieningen is veelal beperkt in de tijd. Ongeveer de helft van de gebruikers van welzijnsvoorzieningen maakt er drie jaar later geen gebruik meer van. Gebruik van professionele thuiszorg vertoont daarentegen een stabiel patroon; ongeveer 80% van de gebruikers rapporteert drie jaar later nog steeds hulp te krijgen van de professionele thuiszorg. Het is het aannemelijk dat thuiszorggebruikers welzijnsvoorzieningen gebruiken in aanvulling op reeds verkregen zorg. Op de langere termijn heeft men steeds meer kans om gebruik te maken van zowel welzijnsvoorzieningen als de thuiszorg. Kijken we naar trends in de tijd dan blijkt dat 70-80-jarigen in 1992/93 even vaak gebruik maken van welzijnsvoorzieningen en thuiszorg als in 2001/02. Wel is er een trend dat in de jaren na 2000 meer ouderen gebruik maken van de thuiszorg dan in de jaren negentig het geval was en maken ouderen die in de periode 2001/02-2005/06 alleenstaand zijn of hun partner verliezen vaker gebruik van thuiszorg dan vergelijkbare ouderen in 1992/93-1995/96. Alleenstaande en verweduwde ouderen in de jaren na 2000 weten mogelijk beter de weg naar de thuiszorg te vinden, dan wel beter bereikt worden door de thuiszorg, dan in de jaren negentig het geval was.

M.I. Broese van Groenou, D.J.H. Deeg

2006

Vroege predictoren van dementie

Het ministerie van VWS richt zich op het versterken van de kennis die bijdraagt aan vroege herkenning van mensen met dementie. Om goed te kunnen voorspellen welke mensen met cognitieve problemen een dementie ontwikkelen en welke niet, is het nodig mensen langere tijd te volgen om zodoende een risicoprofiel van de at-risk groep vast te kunnen stellen. Alhoewel er voor dementie nog geen adequate behandelmethoden zijn, zijn sommige risicofactoren wel beïnvloedbaar of  behandelbaar. Met andere woorden, vroege herkenning van cognitieve achteruitgang en behandeling van eventuele risicofactoren zou van belang kunnen zijn voor de preventie of uitstel van de conversie naar dementie. In dit rapport worden gegevens van LASA gebruikt voor het opstellen van beslisbomen ter vroegsignalering van cognitieve achteruitgang en dementie.
Auteurs: H.C. Comijs en D.J.H. Deeg